print

Eenvoud is... goud | Lezing Marcus van Loopik

HOE EENVOUDIG IS EENVOUD?
Eenvoud in Tenach en rabbijnse traditie
Marcus van Loopik

Mag ik beginnen met vier korte citaten. Uit evenveel religies.

Taoïsme
Wie probeert te stralen, verzwakt zijn eigen licht (…). Ik heb slechts drie dingen te leren: eenvoud, geduld en medeleven. Deze drie dingen zijn je grootste schatten. (I Tjing, § 24 en § 67)

Jodendom
'En Mosjè naderde tot de donkere wolk.' Wat maakte dat hij dit mocht? Zijn deemoed, want er is gezegd: 'Nu was Mosjè een zeer deemoedig man' (Num. 12,3). De Schrift leert dat ieder die deemoedig is, uiteindelijk de Sjechina (Gods inwoning op aarde) op de mensen zal doen rusten.

Christendom
Wie zichzelf gering maakt als kinderen, deze is de grootste in het Koninkrijk der hemelen. (Mat. 18,4)

Islam
Behandel mensen niet minachtend en loop niet trots rond op aarde; Allah houdt niet van wie arrogant en verwaand is. Laat uw manier van lopen bescheiden zijn en uw stem zacht; de ruwste stem is het balken van een ezel. (Koran, Soera 34)

Die vier motto's illustreren het belang dat mensen van verschillende religies toekennen aan bescheidenheid, eenvoud en zachtmoedigheid. Ze zijn als treden die mensen dichter tot God voeren. Ze doen mensen vorderen op het pad naar verdieping en spiritualiteit. Elke religie legt daarbij eigen accenten. Maar ik benader het thema 'eenvoud' hier vanuit de achtergrond van de Tenach en de rabbijnse traditie.

Armoede, noodlot of ideaal?

Met betrekking tot de eenvoud zijn binnen Tenach vooral twee begrippen relevant: anaw - deemoedig; en sjefal roeach - nederig van geest.Beide bepalingen accentueren een staat van nederigheid en bescheidenheid. De term 'anaw' is complex. Het betekenisveld ervan is zo breed, dat je dit woord haast niet kunt vertalen. Mild, zachtmoedig, nederig, bescheiden, deemoedig, geduldig, langzaam in toorn, verdraagzaam, arm, eenvoudig, sober, al deze noties zijn er in vervat. Die rijkdom aan betekenissen verantwoordt een analyse van het begrip anaw.

'Anaw' gaat zoals nagenoeg elk Hebreeuws begrip terug op een werkwoordstam. In dit geval 'anah':(neer)buigen of onderdrukken. Wie in de Bijbel als anaw wordt aangemerkt, is neergebogen, vernederd en terneergeslagen. De oorzaak van zijn ellende is doorgaans uitbuiting. De belagers van de anaw blijken brute lieden die anderen tot slachtoffer maken van ongebreidelde hebzucht en mateloze hang naar macht. Bijna overal in Tenach duidt 'anaw' op een armoedige levensstaat als gevolg van repressie, onrecht en geweld. Daarbij beschrijft het woordtevens de psychische gevolgen ervan: een terneergedrukt gemoed. Synoniemen binnen de context van de anawiem omschrijven economisch zwakken of sloebers (dalliem), armen (onijiem) en ongelukkige paupers (evjoniem).

De beklagenswaardige gemoedstoestand van de anawiem kent evenwel een positieve keerzijde. In al hun ellende staan ze bij de rabbijnen bekend om hun edele karakter, hun deemoed en bescheidenheid. Daarin steken ze met kop en schouders boven hun vervolgers uit. Doordrongen van eigen onbeduidendheid zijn de anawiem nederig, mild, zelfkritisch en bereid tot ommekeer. Ze kunnen dus rekenen op Gods aandacht en beschutting. De Eeuwige zal hen redden uit de macht van hun kwelgeesten en een vreugdevolle keer brengen in hun lot.

Ook in Schriftpassages waar 'anawiem' wordt gebruikt als simpele verwijzing naar ellendige paupers, leggen de rabbijnen het accent toch op hun uitzonderlijke deugden. De morele notie van het begrip 'anaw' zijn de rabbijnen in hun tijd enorm gaan accentueren. Zozeer dat men 'anawiem' overal in Tenach als verwijzing naar 'deemoedigen' is gaan lezen. De rabbijnse masoreten (overleveraars van de Schrifttekst) gingen nog een stap verder. Ze laten ons in een aantal Schriftteksten ook 'anawiem' lezen, waar het woord 'onijiem' (verdrukten of ellendigen) genoteerd staat. Daarmee brengen ze het verband tussen armoede en deemoed ook daar voor het voetlicht.

Een sprekend voorbeeld hiervan levert Ps. 9,13: "Want Hij eist vergoten bloed op, Hij brengt het in herinnering; niet vergeet Hij het hulpgeschreeuw van de deemoedigen". Samson Raphael Hirsch verklaart in zijn psalmencommentaar de lezing 'deemoedigen' in plaats van 'armen' als volgt: "Zij waren inderdaad anawiem - nederigen, en geen mannen van geweld, maar zij waren alleen maar zo nederig omdat ze onijiem waren, afhankelijk en machteloos. Hadden ze macht en een hoge positie verworven, dan zouden ze zich aan hetzelfde machtsmisbruik schuldig hebben gemaakt." Ellende kan een mens deformeren, maar leidt in gunstige gevallen juist tot bescheiden zachtmoedigheid en verdraagzaamheid. Een sobere en eenvoudige levensstijl vormt de beste garantie tegen hoogmoed en machtsmisbruik.

De Wijzen (masoreten) hebben de onijiem uit Ps. 9,13 geïdentificeerd met joodse martelaren en rechtvaardigen, omgekomen tijdens de Romeinse onderdrukking van Israël in de eerste eeuwen van de jaartelling. De wrede repressie en uitbuiting uit die tijd en ook uit latere tijden, verklaart eveneens waarom de Wijzen in teksten als Ps. 9,13 'anawiem' in plaats van 'onijiem' zijn gaan gelezen! Uitbuiting en repressie riepen bij een onderworpen generatie zoveel ressentiment op, dat dit resulteerde in zelfidentificatie met de 'eerbare verdrukten'. De joodse vervolgden voelden zich immers vernederd, maar ten opzichte van de Romeinen moreel wel de meerdere. Zij smachtten bovendien naar de verlossing die de Schrift de anawiem herhaaldelijk en met nadruk in het vooruitzicht stelt. Dit werpt extra licht op de troostrijke woorden die Jezus in zijn zaligsprekingen tot armen en deemoedigen richt.

De samenhang tussen armoede en deugd bezit ook nog een praktisch aspect. Een sobere leefstijl, grenzend aan armoede, gold voor de rabbijnen als religieus ideaal. Van een beetje ontbering word je niet slechter. Het kan je karakter veredelen. Een leven van luxe en buitensporige aandacht voor aardse bezittingen houden de mens echter van Tora-studie af. Daarom zeggen de Wijzen: "De sier van God is de mens, de sier van de mens is zijn kleding, de sier van de Tora is wijsheid (…), de sier van een onwetende is armoede." De onwetende, de zogeheten 'am ha-aretz' die ongeletterd blijft omdat hij zoveel met wereldse belangen bezig is - hij blijkt gebaat bij een toefje armoede. Noodgedwongen en zoekend naar vertroosting, krijgt hij eindelijk weer tijd en aandacht voor de Tora. Wie wijsheid wil verwerven, moet volgens de Wijzen een sober bestaan leiden:

Zo is het pad van de Tora: 'Brood met zout zul je eten, water zul je met mate drinken, op de grond zul je slapen, een leven van pijnvolle inspanning zul je leiden, waarbij je jezelf inspant omwille van de Tora. De inspanning van je handen, dat je daarvan moge eten, dan ben je gelukkig' (Ps. 128,2).

Verdrukking, eenvoud en solidariteit

We kijken nu met extra aandacht naar teksten binnen Tenach, waarin aan de anawiem wel expressis verbis speciale deugden zijn toegeschreven. Dat is bijvoorbeeld zo in Zef. 2,3: "Zoekt de Eeuwige, allen in het land die nederig zijn (kol anwéj ha-arètz), die Zijn wetsregels uitvoeren; zoekt gerechtigheid, zoekt deemoed (anawah), misschien zullen jullie gespaard blijven op de dag van toorn van de Eeuwige." Naar de bevinding van de profeet Zefanja zijn de getormenteerde anawiem wetsgetrouw en in staat tot rechtvaardigheid. Alleen zij zijn te midden van een verdorven generatie nog bereid tot ommekeer. Anawiem streven gerechtigheid na: tzèdèk en tzedaka. Het Hebreeuwse woord voor 'gerechtigheid' impliceert dat men anderen tot hun recht doet komen, aan hen de ruimte geeft zodat ze hun bestemming als mens op waardige wijze kunnen realiseren. Wanneer je deze connotatie van het oudtestamentische begrip 'tzedaka' (gerechtigheid) aanvoelt, begrijp je waarom de term 'tzedaka' in de vroegrabbijnse tijd tevens 'aalmoes' is gaan betekenen!

De anawiem maken plek vrij om anderen uit de verf te laten komen. Dat kunnen ze omdat hun ego zo klein is geworden en omdat ze in hun sobere bestaan zelf weinig ruimte meer innemen. Maar de anawiem willen ook anderen helpen bij de realisatie van hun menselijke bestemming. Dat kan dankzij hun inlevingsvermogen en hun solidariteit. Wie aan den lijve ontbering heeft geleden, zal andermans noden allicht sneller aanvoelen.

Menigmaal is de vraag gesteld waarom de Israëlieten vierhonderd lange jaren onderdrukking in het Egypte van de farao moesten doorstaan. De joodse auteur J. M. Cohen gaf hiervoor deze veelzeggende verklaring: "De ervaringen in Egypte waren bedoeld om het volk voor te bereiden op een unieke mate van ethische gevoeligheid. De Tora zelf verbiedt ons niet alleen om vreemdelingen te discrimineren, maar gebiedt ons ook om hen lief te hebben (zoals is gezegd: 'Want jullie waren zelf vreemdelingen in het land Egypte' - Lev. 19,34). Wij moeten tolerantie leren vanuit de situatie dat we aan de ontvangende kant hebben gestaan van hen die slachtoffer zijn van intolerantie. We hebben ook moraliteit moeten leren vanuit de ervaring dat we blootgesteld zijn geweest aan de meest grove immoraliteit die in Egypte in praktijk werd gebracht (vgl. Lev. 18,3)."

Zo extreem als in Egypte hoeft het niet altijd te gaan. Wie door een sobere en eenvoudige levensstijl een zekere ontbering leert kennen, kan de noden van de ander ook al beter aanvoelen. Wie niet alleen met zichzelf bezig is, neemt God en de mensen scherper waar. Wie bescheiden is, kan beter naar de noden van zijn naaste luisteren. En last but not least, bij eenvoud en een sobere levensstijl blijft er, zoals al gezegd, meer tijd over voor Tora-studie. Tora-studie stimuleert de geestelijke groei. Hiermee raken we aan een volgend aspect van anawah: de relatie tussen nederigheid en spiritualiteit.

Mosjè - zachtmoedigheid, bescheidenheid en spiritualiteit

Een Tora-passage over persoonlijke gebeurtenissen in het leven van Mosjè verlevendigt ons beeld van deemoed binnen het jodendom. Verteld wordt hoe Mirjam samen met Aharon de bevoorrechte positie van Mosjè als leider in twijfel trekt. Bezitten ook zij geen profetische gaven? Wat is er dan zo bijzonder aan Mosjè dat juist aan hem de hoogste autoriteit onder het volk toekomt? Mosjè blijft tijdens de felle aanval op zijn positie opvallend rustig. De Eeuwige neemt het voor hem op. Hij brengt de klagers tot zwijgen. Ook de rabbijnen hebben zich op hun beurt afgevraagd waarom Mosjè als enige de berg Sinaj mocht betreden. Alle andere Israëlieten, Mirjam en Aharon incluis, werd geboden op afstand te blijven tot het moment van openbaring voorbij was. Waarom moesten zij aan de voet van de berg blijven staan tot het moment dat langgerekte sjofartonen zouden weerklinken? Deze vragen en het verrassende antwoord erop vinden we in de midrasj op het boek Exodus:

 'En Mosjè naderde tot de donkere wolk.' Wat maakte dat alleen hij dit mocht? Zijn zachtmoedigheid (ootmoed of anawah ) vormt de verklaring, want er is gezegd: 'Mosjè nu was een zeer deemoedig man'. De Schrift leert dat ieder die deemoedig is, uiteindelijk de Sjechina (de goddelijke inwoning) op de mensen van de aarde zal doen rusten.

God zelf nam het voor Mosjè op, omdat deze zich uit bescheidenheid niet had laten voorstaan op zijn unieke profetische gaven. Mirjam en Aharon zouden het wel uit hun hoofd gelaten hebben de autoriteit van Mosjè te betwisten, hadden ze geweten hoe ongeëvenaard diens profetische gaven in werkelijkheid waren. De Eeuwige moest hen daarop wijzen: "Van mond tot mond spreek Ik tot hem en van aangezicht tot aangezicht." (Num. 12,8) Niet zoals bij de overige profeten door vage visioenen en dromen, maar als van mens tot mens! Bij andere profeten belemmert het eigen ego de rechtstreekse blik op God. Het menselijk ego dimt als een filter Gods licht. Hoe groter ons ego, hoe minder we van God te zien krijgen. Mosjè had door zijn natuurlijke bescheidenheid en veertig dagen en nachten vasten het eigen ego tot nul gereduceerd. Hij kon zich dus openen voor Gods onmiddellijke werkelijkheid.

De midrasj legt hier een mystieke band tussen vernietiging van het ego en spiritualiteit, in het bijzonder de godservaring. Volgens de Wijzen vormt anawah in al haar nuances - mildheid, nederigheid, eenvoud en soberheid - een conditio sine qua non voor authentieke spiritualiteit.

Bescheidenheid en Tora-studie

Anawah stimuleert niet alleen spirituele gevoeligheid. Ze draagt ook op praktische wijze bij aan de verwerving van wijsheid. Wie bescheiden is, durft vragen te stellen. Alleen wie openlijk onwetendheid durft te tonen, kan van andere mensen wat bijleren, ook of misschien wel juist wanneer deze tot andere godsdiensten en culturen behoren. Wie meent de waarheid in pacht te hebben en alles al te weten, corrigeert geen fouten en vult zijn kennis niet meer aan. In dit licht sprak Rabbi Ben Zoma (tweede eeuw):

Wie is (werkelijk) wijs? Hij die van ieder mens leert, want er is gezegd: 'Ik ben verstandiger dan al mijn leraren, want Uw getuigenissen zijn mij tot overpeinzing' (Ps. 119,99).

In de Babylonische Talmoed houden de Wijzen ons voor: "De Heilige, Hij zij gezegend, doet zijn geest uitsluitend rusten op iemand die heldhaftig, rijk (aan kennis), wijs en deemoedig (anaw) is. En al die eigenschappen werden aangetroffen in Mosjè."

Blijft het voorbeeld van Mosjè onbereikbaar voor gewone stervelingen? Nee, want evenzeer in de geest van de traditie houdt Maimonides (1134-1204) de hele mensheid voor: "Ieder mens heeft de mogelijkheid om rechtvaardig te zijn als Mosjè, onze leraar, of een wetteloze zoals (koning) Jerobeam, wijs of onverstandig, barmhartig of wreed, afgemeten of genereus, en evenzo alle andere eigenschappen." Ieder menselijk schepsel kan de Sjechina op aarde doen wonen, zo leert de midrasj. Iedere sterveling zou in principe aan Mosjè gelijk kunnen zijn. Hij was tenslotte niet deemoediger dan de engelen of zelfs maar deugdzamer dan de aartsvaderen. Hij wordt door joden dan ook niet als heilige vereerd. Zijn bescheidenheid strekt overigens tot voorbeeld. Ieder van ons zou op zijn minst naar de bescheiden mildheid van Mosjè moeten streven. Maar indien iedereen inderdaad anaw als Mosjè zou kunnen zijn, waarom staat er dan geen tweede of derde Mosjè op? In een verhaal over Hillel de Oude leggen de Wijzen ons uit waarom niet:

Het gebeurde dat de Ouden (de vroege Wijzen) bijeenkwamen in het huis van Gadja te Jericho. Een hemelse stem sprak toen: 'Er bevindt zich onder jullie een mens die waardig is om de heilige Geest te ontvangen, maar de generatie (waarin hij leeft) is niet waardig (dat dit gebeurt).' En zij richtten (allen) hun ogen op Hillel de Oude.

Hillel deed in anawah mogelijk niet onder voor Mosjè.

Zalig zijn de armen van geest

De troostrijke woorden van Jezus, gericht aan armen en deemoedigen, zijn intussen heel transparant geworden. Jezus begon zijn zaligsprekingen aldus:

Zalig zijn de armen van geest (in geest), want van hen is het koninkrijk der hemelen.
Zalig zijn zij die treuren, want zij zullen worden getroost.
Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het land beërven. (Mat. 5,3-5)

De joodse professor Nieuwe Testament David Flussser - de herinnering aan hem zij ons tot zegen - heeft verrassende dingen gezegd en geschreven naar aanleiding van de zaligsprekingen. De uitdrukking 'armen van geest' stamt naar zijn mening hoogst waarschijnlijk uit het milieu van de Qumrangemeenschap. Ook in de dankpsalmen van deze monastieke gemeenschap zijn de onnijé roeach - de armen van geest - vermeld. Dankpsalm 18,14-15 vertoont bovendien een opvallende verwantschap met de zaligsprekingen: "door de deemoedigen een goede tijding te brengen (…), de verslagenen van geest en de treurenden." Evenals in de zaligsprekingen herkennen we in deze Qumran-psalm zelfs de messiaanse woorden van Deutero-Jesaja: "Want de Eeuwige heeft mij gezalfd om een goede tijding te brengen aan de deemoedigen (…) om alle treurenden te troosten." (Jes. 61,1-2) Jezus zinspeelt tevens op Ps. 37,11: "De deemoedigen zullen het land beërven."

De leden van de Qumrangemeenschap tooiden zich met de omschrijving 'armen van geest' als met een eretitel. Zij achtten zichzelf door hun sobere levenswijze, eenvoud en wereldverzaking extra ontvankelijk voor Gods heilige Geest. Het zijn juist de armen en nederigen die Gods Geest mogen ontvangen. Zoals water alleen van boven naar beneden stroomt, zo verblijft de wijsheid van de Tora alleen bij wie zichzelf laag maakt.

Hiermee legden de gelovigen van Qumran een rechtstreeks verband tussen leven in armoede en anawah (in de dubbele zin van deemoed) enerzijds en het vermogen tot spiritualiteit anderzijds.

Jezus sprak in tijden van Romeinse repressie. Ook hij speelde met de verwisseling van de termen 'onijiem' (armen) en 'anawiem' (deemoedigen). De belofte dat de deemoedigen het land zullen beërven, functioneert als metaforische variant op de eerste zaligspreking over de armen van geest, aan wie het Koninkrijk der hemelen toekomt. De uitdrukking 'het land beërven' geldt als zegswijze voor het binnengaan in het Koninkrijk der hemelen. De deemoedigen zijn gelijk aan de treurenden, armen en eenvoudigen. Het zijn mensen die in onthechting en soberheid leven.

Jezus trok het spel met woorden nog verder door. De armen en deemoedigen zullen niet alleen het land beërven, ze bevinden zich daar al. Daarom zegt Jezus over de armen: "…want van hen is het Koninkrijk der hemelen." Malchoet sjamajiem (Koninkrijk der hemelen) verwijst niet alleen naar een collectieve belofte voor Israël, maar ook naar een persoonlijke spirituele ervaring, naar de beleving van een stukje eeuwigheid in het hier en nu. Het 'is' uit de eerste zaligspreking en het 'zullen' uit de erop volgende zaligsprekingen leren dat voor de onijiem en anawiem Gods Koninkrijk zowel een actuele ervaring kan zijn als een belofte, zowel een onmiddellijke werkelijkheid als een nog niet bereikt doel en een opdracht. Dit alles is geheel in lijn met de rabbijnse traditie.

Bij die laatste gedachte past een chassidisch verhaal over een man die zich verbaasde over de zelfverzakende ijver waarmee orthodoxe joden, vaak met rood omrande ogen van de slaap, haast ononderbroken hun geliefde Tora bestuderen. Al dit gezwoeg met teksten leek hem een eentonige verschrikking. Wat zal de beloning voor die treurniswekkende afmatting zijn, zo vroeg hij zich af. In een visioen toonde de hemel hem het toekomstige lot van de vrome studiebollen. De man zag de Tora-geleerden in het paradijs opnieuw boven hun heilige folianten gebogen zitten. Verbijsterd riep hij wat voor een dwaze beloning dit wel was! Op vermanende toon sprak toen een hemelse stem: "Je hebt er totaal niets van begrepen. Jij denkt dat de rechtvaardigen in het paradijs zullen zijn, maar het paradijs was altijd al in het hart van de rechtvaardigen.

Hoe eenvoudig is eenvoud?

Dezelfde mild gestemde en bescheiden rabbi Hillel de Oude, toonbeeld van anawah, die volgens de verhalen niemand kwaad kon krijgen, sprak: "Wanneer ik hier ben, is alles hier; wanneer ik hier niet ben, wat is dan hier?" Hillel achtte zichzelf als van kosmische importantie. De eigenschap van anawah kan zich dan ook probleemloos paren aan een hoog ontwikkeld gevoel van eigenwaarde. De eenvoud van Hillel en zijn mildheid jegens anderen berustten op het besef dat alle mensen gelijkwaardig zijn. Allemaal zijn zij als beeld van God even uniek en in potentie even majesteitelijk. Hun waardige eenvoud weerspiegelt immers de volstrekte eenvoud van de Eeuwige zelf, die troont in de hemel maar ook afdaalt om bij de nederigen van geest en de gebrokenen van hart te zijn.

Gods eenvoudigheid betekent enkelvoudigheid. God is ondeelbaar, zijn eigenschappen en wezen vallen samen. Bij de Eeuwige bestaat geen onderscheid tussen binnen en buiten. Zijn denken, spreken en doen zijn één met zijn wezen. Hij is zo te zeggen een God 'uit één stuk', zuivere waarheid. Die goddelijke eenheid herkennen kabbalistische mystici in het hoogste niveau van de menselijke ziel, de jichoed - eenheid en eenwording. Daarmee in meditatie verbonden, worden we tot in de hoogste eenvoud uitgetild boven onze aardse gedachten. Dan kunnen we leren om alle tegenstellingen te overstijgen. Wie in zijn eenvoud die hoogste 'goddelijke' enkelvoudigheid weet aan te spreken, ervaart Gods absolute eenheid achter de veelheid van wereldse verschijningsvormen. Zo hoog gestegen of zo diep afgedaald, erkennen we het onheilige als opdracht tot heiliging, herkennen we in iedere zondaar een potentiële rechtvaardige en in elke vijand een potentiële vriend.

Als iets eenvoudig is, zou het op het eerste gezicht de eenvoud zelve moeten zijn. Het 'goddelijke' stadium van eenvoud is evenwel een moeilijk te verwerven schat. Het is een lange en moeizame klim naar de top van de eenvoud! De mysticus rabbi Pinchas ben Ja'ir (eind tweede eeuw) beschouwde anawah als een van de hoogste sporten op de ladder die ons naar ontvankelijkheid voor Gods geest voert:

(Kennis van) Tora leidt tot oplettendheid, oplettendheid leidt tot ijver, ijver leidt tot onschuld, onschuld leidt tot onthouding, onthouding leidt tot reinheid, reinheid leidt tot vroomheid, vroomheid leidt tot bescheiden zachtmoedigheid (anawah), bescheiden zachtmoedigheid leidt tot godvrezendheid, godvrezendheid leidt tot heiligheid (kedoesjah).

Door Tora-studie bereik je oplettendheid - dat is een sensibiliteit waarmee je het goede van het slechte leert onderscheiden, zodat je verkeerde daden mijden kunt. Daarna volgt de ijver waarmee je het goede ook uit jezelf wilt verrichten. Dan volgt onschuld. Dit is een dermate geïnterneerde liefde voor het goede, dat je naar het slechte niet meer taalt. Vervolgens onthouding, het vermogen tot afstand, onthechting en ingetogenheid. Daarop volgt reinheid. Rein zijn zij die het goede vanuit onbaatzuchtige en zuivere motieven doen, d.i. het goede en het recht nastreven om het goede en de rechtvaardigheid zelf, desnoods zonder succes of beloning. Pas wie dat kan, wordt mogelijk ook een chassied (vrome). Een chassied acht de belangen en rechten van de ander hoger dan die van zichzelf. Pas na deze langdurige voorbereiding kun je de nederigheid en eenvoud van anawah aanleren. Vanuit een gereduceerd ego ontstaat vreze des Heren. Dit is naast een verworven eigenschap tevens een hemels geschenk: de respectvolle en intieme ervaring van Gods aanwezigheid, overal en altijd. Pas wie dit stadium bereikt heeft, kan heiligheid verwerven en de kracht om Gods geest op de wereld te doen rusten. Wie dat haast onmogelijke niveau bereikt heeft, is 'arme van geest' of profeet. Zinspeelde rabbi Hillel de Oude soms op deze wonderlijke combinatie toen hij sprak: "Mijn vernedering is mijn verhoging en mijn verhoging is mijn vernedering"? Ik vermoed het. Eenvoud is nu eenmaal verre van eenvoudig.

Authentieke bescheidenheid

Twee chassidische leerlingen schepten op over de vroomheid van hun leermeesters. De eerste sprak: "Mijn leermeester is zo vroom dat hij iedere maandag en donderdag vast." Daarop sprak de tweede: "Dat stelt niets voor, mijn leermeester vast de hele week, elke dag." Daarop reageerde de eerste weer, en niet zonder triomf: "Ik heb jouw leermeester gisteren nog iets zien eten!" De tweede leerling antwoordde koel: "Dat kan goed. Mijn leermeester is zo onvoorstelbaar bescheiden, dat zelfs wanneer hij vast, hij dit aan niemand laat merken!"

Joodse humor bevat meestal een serieuze ondertoon. Wie echt eenvoudig en bescheiden is, loopt daarmee niet te koop. Humor en zelfspot zijn misschien wel de meest kenmerkende getuigen van authentieke bescheidenheid en eenvoud.