Eenvoud is... goud | Lezing Dirk Hanssens
EENVOUDIGWEG
Het monastieke pad van de eenvoud
Dirk Hanssens osb
Eenvoud is niet het kenmerk van de beginner. Eenvoud is, zoals een bekende Nederlander ooit zei, de duur bevochten stempel van de meester. Eenvoud is van een leerproces - een levensreis - de eindfase. Soms heet al wat daaraan voorafgaat worsteling. Die men dan probeert te vergoelijken - 'ach, mij vang je niet onder één noemer!' Het is niet waar dat men goed begint door de zogenaamde eenvoud te bewaren. Wat men dan behoudt is vaak niet meer dan onkunde, naïviteit en simpelheid die geen rijkdom in zich bergt. Eenvoud die aan het einde staat, is altijd gecondenseerde complexiteit.
Luister
Er zijn er die beweren dat geloven het leven eenvoudiger maakt. Een politicus zei: 'Ik wou dat ik kon geloven, het leven zou eenvoudiger zijn.' Die man bewijst met dit gezegde niet alleen dat hij nooit geloofd heeft. Hij is er vooralsnog niet aan toe. Waarom? Geloof is niet de grootste van de drie. Het moet verdwijnen als de grootste komt, de deugd van de liefde waarop we hopen. Het geloof is troostrijk - dát wel! - maar het is geen balsem voor de wonden van het leven. Geloven vergt twee bijzondere deugden: deemoed en moed. De tweede is een afgeleide van de eerste. Moedig - en dus niet overmoedig - ben je alleen als je de humus, de dragende aarde, onder je voeten weet, zeg maar: als je doordesemd bent van nederigheid, humilitas, de kardinale deugd van de monnik.
Geloven vergt deemoed omdat het begint met het ernstig nemen van de menselijke conditie. Een complexe, verwarrende situatie. De mens is een zwemmer in zee. Zelfs bij windstilte drijft hij af. De deemoed ligt erin je oren te openen voor de hoorn van de redder op het strand. Ben je bereid te luisteren naar Gods woord? Ausculta, o fili mei! - het eerste woord uit de Regel van Benedictus. En waarom zou ik niet luisteren? Iemand vindt het de moeite om mij toe te spreken - ik die verward ben, ik die helemaal niet eenvoudig in elkaar zit.
Maar geloof vergt ook moed. 'Faith is the courage to accept acceptance', schreef de Duitse theoloog Paul Tillich. Geloof is de moed te aanvaarden dat je bent aanvaard. Ook en vooral als er geen bijzondere reden is waarom je de liefde van hogerhand verdient. Of als je denkt dat er juist veel redenen zijn waarom je die liefde niet waard bent. Geloven is zich voorbereiden op de onvoorwaardelijke liefde van God. Dat laatste is het sjabloon waarmee je het leven tot eenvoud kunt condenseren. Dit besef, dit ongelooflijk vrijzinnig inzicht, deed het claustrum ontstaan. Met claustrum wordt niets bedoeld dat met tralies is afgezet, hoge muren en dikke deuren die de helse geluidjes uit de wereld weren. Claustrum is wat je meeneemt als je jezelf vogelvrij verklaart. Vogels voor de kat - dat waren die monniken die als eersten de woestijn introkken om er de reis naar binnen - de langste reis - te voltrekken.
Onder moeders rokken
Anachoreten werden ze genoemd, die vreemde mannen die zich ingroeven in woestijnen vol demonen. Anachoreten zijn vluchters. Ze keren de wereld de rug toe, de wereld waarin een eenvoud heerst die louter steunt op het do-ut-des-principe. Sta je tegenover God, dan moet je een nieuw soort eenvoud ontdekken. 'Geven om te krijgen' geldt niet in het aanschijn van de Schepper. Wat zou een mens Hem kunnen geven? Alles is geschenk van God aan de mens.
'Hoe word ik gered?' is niet de vraag van de monnik. Hij wéét dat hij gered is als hij het 'monos' huldigt, de afzondering die in staat stelt om in de hem gegunde tijdspanne iets te ontdekken dat lijkt op een parel in een oester, of goud in de akker. En wat die parel is, of dat goud, dat staat als eenduidige boodschap in het evangelie: nieuw leven bezit hij of zij die de naam van Christus aanneemt. Wie Christus aanwijst is gered. Zo simpel is dat. Een vaderspreuk, een verhaaltje uit de vijfde eeuw, illustreert het:
| Van abba Ammonas wordt verteld dat hij ooit eens een basilisk gedood had. Hij was naar de woestijn getrokken om er water te putten. Bij het zien van de basilisk prosterneerde hij zich en bad: "Heer, als hij niet sterft, ga ik dood." En terstond werd de basilisk door de kracht van Christus vermorzeld. |
Geloof in Hem, en je bent gered. Geen orakeltaal die duizend-en-één interpretaties toelaat maar een woord waarin je schuilt zoals een kind onder moeders rokken. Een woord dat je liefst aanvaardt met de eenvoud van een kind, met de mentaliteit van een mens die niet opgebroken ligt als een mozaïek. Wie één en ongedeeld is, wie woont in zichzelf, geniet een onschatbaar voordeel: hij kan God verwelkomen. God wil niets liever dan zijn tempel in te richten in het bewoonde hart van de mens. Daarmee heb ik niet gezegd dat een monnik een God is in het diepst van zijn gedachten. Willem Kloos bezat niet de eenvoud om te begrijpen hoe die God in het klokhuis van de mensenziel zetelt. Als een lankmoedige, zegenende God.
Genade in zwakheid
Wat is dat eigenlijk, zegenen? Goed zeggen over iets. Bene-dicere. Je bent van het slag van de gevaarlijkste soort eenvoudigen, als je dat zegenend gebaar daar aan de binnenkant gewoon overneemt - het werk Gods dat ook het jouwe wordt. Wist u waarom Antonius, die eerste monnikenvader, altijd voorgesteld wordt met dat kruis dat hij hoog boven zich uitheft? Omdat hij een exorcist is? Een strenge verdelger van het kwaad? Welnee. Met een kruis in de hand maak je een zegengebaar, spreek je een benedictie uit. Antonius is de naakte, geknielde man die het crucifix heft… tegen uitvergrote incarnaties van eigen, zondige begeerten.
Het is goed als de mens zijn zwakheid kent. Dan pas verwacht hij immers de redding van de Allerhoogste en niet meer van eigen strijd. Zich toevertrouwen aan Gods lankmoedigheid - en alleen daaraan - het vormt de hoofdbezigheid van de monnik. Dat je alles te verwachten hebt van een God die geen zonden optelt, het is een inzicht dat je opdoet als je weet hoe zondig je wel bent. Een monnik is dus goed bezig als hij over zijn zonden weent. "Vermorzel je hart", schreef Benedictus in zijn Regel. Maak je hart vruchtbaar door er tranen in te storten, zodat de kiem van Gods goedheid er wortel schiet. Ik zal het eenvoudiger en krasser zeggen. Niet durven denken aan wat zondig is, het zou wel eens kunnen betekenen dat je er voorgoed in gevangen zit. Dan sla je de zonde niet stuk, maar de zonde nijpt jou dood!
Zwakheid induiken vergt moed. Veel rust ook - anders sla je in paniek wanneer de eerste de beste demon naar je staat te grijnzen. Wist u dat de trukendoos van het Gerontikon - zo noem ik die verzameling van vaderspreuken: trukendoos - wist u dat ze gemaakt is met één doel: mensen helpen om hun innerlijke rust te herstellen, hun eenvoud terug te vinden. Rust is het bewijs dat je de praktijk onder de knie hebt, zelfs het bewijs dat je boven de techniek uitgestegen bent, dat je van 'de middelen tot' bevrijd bent. Het zou beter zijn mocht niemand je dan nog aan die middeltjes herinneren, want dat leidt alleen maar tot hernieuwde twijfel.
Kent u dat mopje over die oude kluizenaar met de lange baard? Hij was een broeder die 's nachts altijd sliep als een roos. Tot er hem iemand vroeg wat hij met die lange baard deed vlak voor hij indommelde. Moest die onder de dekens of erboven? Sindsdien heeft onze brave heremiet geen oog meer dicht gedaan. Ganse nachten pijnigde hij zijn hersenen. Wat was het nu eigenlijk? Erboven of eronder? De arme man was zijn eenvoud kwijt, zijn gave om het verstand blank te doen liggen onder het licht van de genade, in volkomen rust en ontspanning.
Zonder passie
Heilige onverschilligheid is het zusje van de eenvoud. Je bereikt die passieloosheid, die monastieke rust, door ascese. Maar je moet ook de ascese kunnen loslaten. Regeltjes zijn nuttig, maar voor je het weet kosten ze je de innerlijke rust - de rust die nodig is om de hele schepping te beschouwen, niet met het oog op controle of manipulatie - want dan ben je weer gedreven door passies - neen, gewoon om te kennen, om vervuld te worden door datgene wat de schepping je meedeelt aan wijsheid. Dat is het waarover de eenvoudige monnik waakt: dat hij ontvankelijk blijft voor de gave van boven. Je kunt je zo'n monnik voorstellen als een soort Mozes die zijn sandalen uitdoet bij de brandende braamstruik op de Sinaï. De sandalen staan symbool voor de middelen die je aanwendt om op eigen kracht te vorderen. Als je ze uitdoet, sta je met blote voeten op de grond. Op heilige grond. Je merkt dat je mens gebleven bent - aan de blootheid van je voeten - maar tegelijk voel je je opgenomen in Gods heerlijkheid, in sferen van genade. En dus krijg je vleugels om op de weg te vorderen.
Eenvoud doet ons de reis aanvatten en de weg lopen die naar binnen voert. Een vaderspreuk als opwarming:
| Er kwam eens een broeder bij abba Theodorus en hij begon te spreken over zaken waarover zelfs de heilige Antonius liever het stilzwijgen bewaarde. Hij had het over het hoogste genot, over het geluk bij de engelen te mogen vertoeven en volledig één te zijn met datgene waarnaar elke kluizenaar op zoek gaat. Maar abba Theodorus onderbrak hem en sprak op strenge toon: 'U hebt nog geen stok gevonden om op weg te gaan, uw proviand is nog niet bijeengegaard en alvorens te stappen op het pad, bent u al in die gindse stad aangekomen. Welnu, ga eerst aan 't werk, dan kunt u op weg gaan naar datgene waarover u spreekt. Doe eenvoudig wat er op dit moment te doen valt.' De broeder voelde het schaamrood op zijn wangen stijgen en droop af. |
Je moet vaderspreuken altijd twee keer lezen. Net zoals koans. Bij de tweede lectuur valt het op dat abba Theodorus geen verwijt maakt over het feit dat die broeder een doel voor ogen heeft. Zijn doel is de 'stad Gods', om het met een Augustiniaanse term te zeggen. Dromen over iets wat men nog niet in zijn bereik heeft, is niet fout. De broeder liep alleen maar een berisping op omdat hij niet aan het werk ging met zijn verbeelding, in gedachten niet de lange reis ondernam die leidt naar de heerlijke stad. En juist daarom kon hij zijn bezigheden niet meer afstemmen op de problemen en de hindernissen die de verschillende etappes van de innerlijke reis met zich meebrengen. En wat erg is: hij had het zelf niet door.
De oplossing is simpel. Veeg het einddoel niet weg, anders weet je niet meer welke richting je moet uitgaan, maar bewaar dat einddoel in je binnenste, als een kompas, een soort gps die je toelaat juiste keuzes te maken op de ordinaire sleepweg die dwars door uw keuken en tuintje loopt. En begin dan maar te bewegen. Activeer het gps door te bewegen. By the way, de weg, dat woordje 'weg', zit het niet in dat andere woord, 'bewegen'? Nogal logisch. De weg verzinnebeeldt vooral de aard van ons verlangen. En dat is er een van beweging.
De koepel en het labyrint
Cassianus, leermeester van Benedictus, wist dat het einddoel niet - of niet uitsluitend - aan het einde van de weg ligt. Dat doel is als ontmoetingsmoment of als lokroep gedurig aanwezig, zei hij. Het is als het onzichtbare midden waarnaar de koepelbouwer zich richt om tijdens het metselen van het gewelf geen fouten te maken die tot desastreuze gevolgen leiden. Wie een koepel bouwt, zegt abba Abraham in de 24ste collatie van Cassianus, zal aandacht besteden aan de juiste plaatsing van de stenen. Een ronding in de top van een apsis - compleet met de sluitsteen - krijg je pas gedaan als je gehoorzaam bent aan de wetten van de fysica en een paar axioma's uit de wiskunde. Je mag nog zo vaardig zijn in het metselen van een boog, maar als je bij het werken aan de koepel niet voortdurend de ronding corrigeert op basis van de afstand tot een onzichtbaar middelpunt, dan zakt het bouwwerk vroeg of laat ineen.
Wat vreemd is - of juist niet zo vreemd - is dat het punt waarnaar je je voortdurend richt en waarmee je in communicatie blijft terwijl je vordert met je werk, is dat dit punt buiten het vlak van de manipulatie ligt. Zou het kunnen dat - en Bernardus van Clairvaux zou zeggen: ja! - zou het kunnen dat maniëristen zondaars zijn? Maniëristen hebben in ieder geval uit het oog verloren dat het essentiële en kostbare in het centrum ligt, 'in de pit van de ziel', op de plek die vrij moet zijn van al die 'ikjes' die druk bezig zijn met metselen, mortel aandragen, stenen aankloppen, of - in termen van pelgrimage: - kilometers vreten, blaren verzorgen, fietsbanden verwisselen. Maniëristen zorgen voor instortingsgevaar. Maar vrees niet door een maniërist in de luren gelegd te worden. Zijn gebrek aan eenvoud verraadt hem op slag.
De antieke mens wist dat het echte doel van de geestelijke reis in het midden ligt. Hij ontwierp daarom het labyrint als beeld van de levensreis. In labyrinten - zoals het plaveisel in de kathedraal van Amiens - wordt de wandelaar tegel voor tegel naar het midden geleid. Je kunt je het genot ervan alleen maar voorstellen als je ook eens zo'n labyrint afloopt, als je het symbool van de queeste in een persoonlijke handeling omzet. Want voor wie het met toeleg doet - kinderlijke toeleg! - levert het een wonderlijke ervaring op. Die ervaring heeft twee componenten. De eerste is het gevoel van 'ik ga de weg zelf'. Ik ben het die een ingang kiest, die de kronkelingen moet volgen die soms rakelings langs het midden lopen om dan een moment later naar de rand van het labyrint af te buigen waar ik een andere, hopelijk betere ingang zal kiezen om opnieuw te beginnen. De tweede component is het gevoel van 'ik word door de weg geleid'. Het is de weg die mij soms beetneemt, mijn uithoudingsvermogen test en mij tenslotte toch naar het centrum brengt, naar dat middelpunt dat iets heeft van thuiskomen, arriveren op een plek waar ik voor eeuwig zou willen blijven. Eigenlijk ontwierp de mens het labyrint omdat hij intuïtief besefte dat het doel van zijn zoektocht alle bescherming nodig heeft. Een labyrint verdedigt een schat, een kostbaar goed in zijn innerlijke heiligdom. Precies zoals een mens dat ook moet doen.
Vier eenvoudige beloften
Wie toch een voorstelling wil over het doel van de geestelijke reis, kan maar beter te rade gaan bij Augustinus. Wat die grote bisschop uit Hippo zegt, klinkt bijzonder eenvoudig. Vier kleine zinnetjes van telkens drie woorden, die hij simpelweg uit de Bijbel stal. Ze lopen als vier blinkende, rode draden door het meesterwerk van de Belijdenissen. Primo: wij zullen rusten. Secundo: wij zullen zien. Tertio: wij zullen liefhebben. En quarto: wij zullen loven.
Als eerste: 'Wij zullen rusten'. Als er iets is waarnaar een peregrino snakt, al op het einde van zijn allereerste dagmars, dan is het toch wel naar rust! Voor Augustinus is de rust van de slaap echter ook een metafoor voor de rust van God, die allesbehalve passief is. De sabbat van God, de rustdag die wij moeten eerbiedigen, is niet de dag van zalig nietsdoen, maar de dag van vrede - vrede die alle begrip te boven gaat. En dat bedoelen wij als we bidden: 'Heer, geef hun de eeuwige rust.' Vrede wordt ook wel eens genoemd: de rust van de orde. Als de kerkvader over orde spreekt, dan heeft hij het over de geneugte die voortvloeit uit de spontane gehoorzaamheid - de gehoorzaamheid van hen in wie de genade haar werk heeft gedaan. Orde duidt dus op het genot van de vrijheid - zich vrij en onbelemmerd voelen om op elk teken van de genade een gepast antwoord te formuleren, ook al druist dat antwoord in tegen wat de goegemeente verlangt. U kent toch die passage uit het evangelie waar Jezus heel rustig en vredig tussen een massa doorloopt, dwars door een menigte die hem liefst in het ravijn had gestoten? Hij ging zijn eigen weg, noteert de evangelist. Hij had het doel van zijn reis al lang in zijn hart gevonden: vrede. Ziet u hoe eenvoudig en juist men dan reageert!
Vrede met jezelf bereik je alleen als je wanordelijke emoties en moeilijk bestuurbare neigingen beschouwt als energieën, niet als slechte dingen maar als energieën die moeten genezen worden en rechtgebogen. Sommige dingen kunnen we met eigen kracht niet in de hand houden. Op zich niks om wanhopig over te zijn, zolang we maar toelaten dat Gods liefdevolle werking een en ander tot harmonie en vrede brengt. God krijgt geen kans om zijn genezende werking aan ons te voltrekken als we de energieën in een pot stoppen en een deksel erop leggen. Wie dit niet gelooft, is even dom als de mens die zich het voornemen maakt om bij het bezoek aan een fysiotherapeut vooral geen spier te bewegen, geen vin te verroeren. Een mens die wil vorderen op de geestelijke weg, is in beweging. En ach, hoe eenvoudig is dat toch als je op een bepaald moment niet meer weet waarin of waaruit.
Blijf bewegen, want alleen dat voert binnen in de rust van de hemel. De geestelijke reis is een pelgrimstocht die ons stap voor stap naar de vrede van God voert, naar die schat die in de akker van ons hart verborgen ligt en die het waard is om er alles voor te verkopen. Verkopen betekent: loslaten, wegdoen wat hindert om op een vlotte manier de bochten te maken in het labyrint. De grootste hindernis bestaat erin dat we schrik hebben om los te laten, vrees koesteren om uit handen te geven. Die vrees moet weggemasseerd: de vrees voor onszelf (voor onze passies, voor de vulkaan van boosheid), de vrees voor anderen (voor hun onverschilligheid, hun spot, hun agressiviteit), de vrees voor God (niet de heilige vrees die eerbied is, maar de schrik dat Hij ons eens dingen zou kunnen vragen waar we zelf nooit aan gedacht hadden). En die vrees wordt weggemasseerd met de zalf van het vertrouwen. Hoeveel keer staat het er niet in de Bijbel: vrees niet, geloof, heb vertrouwen!
De zuivere eenvoud
Het verlangen naar het doel moet ook uitgezuiverd worden van alle sporen van vrees. Het komt er op aan zo te verlangen dat je niets meer verlangt, want als je nog iets verlangt dan zul je altijd beducht zijn voor de teleurstelling die je oploopt op het moment dat je naast dat 'iets' grijpt. Iets verlangen is ook altijd een beetje schrik hebben dat dit verlangen niet vervuld zal worden. Dus kun je je verlangen maar beter afstemmen op wat je nog niet kent en dat je toch in de schoot zal worden geworpen. Ik weet dat dit gek klinkt. Abstract zelfs. Maar voor iemand die pelgrimeert, die werkelijk iedere dag het avontuur aangaat, is dit soort verlangen - het verlangen naar niets - de enige manier om de voettocht vol te houden.
Voorbij het eisende stadium van het verlangen - ik wil vandaag vijftig kilometer afleggen - voorbij dit stadium bestaat er ook een gelouterde fase waarin het verlangen de allure heeft van matigende trouw, van aanvaarding van de realiteit, van openheid ook voor het onbekende, van weigering om het goud van zijn ziel in te wisselen voor koper dat altijd zwart uitslaat. John Lennon zei: Life is what happens while you're busy making other plans. Vrij vertaald: die met zijn voeten op de grond blijft en tussen neus en lippen zegt 'we zullen wel zien' - die komt er.
Intussen is dat tweede zinnetje van Augustinus gevallen: 'We zullen zien.' De kerkvader sprak het waarschijnlijk uit met een andere intonatie. Hij bedoelde: we zullen niet langer door een donkere spiegel kijken, maar God zien van aangezicht tot aangezicht. En dit is de vervulling van drie fundamentele, zuivere, naakte verlangens. Verlangens die echt niks meer te maken hebben met het bereiken van concrete desiderata. In de aanschouwing van God wordt de behoefte om waarheid te kennen bevredigd. De dorst naar schoonheid wordt gelest en het verlangen naar goedheid vervuld. Het zien van God zorgt ervoor dat je weet dat waarheid, schoonheid en goedheid onscheidbaar zijn. Thomas van Aquino zei - en ik meen dat vele hedendaagse kunstenaars dat niet meer willen weten - hij zei: als schoonheid waar wordt, dan kan het niet anders dan goed zijn. Welnu, God is Diegene die volledig bevredigt als je hem ziet - id quod visum placet - en je kunt Hem alleen zien - nou ja, gewaarworden - als je zelf het goede doet in het leven van alledag. Maar om dat laatste te kunnen doen, moet je ook geloven in God als Bron en Bezieler van al het goede.
Ik weet het, dit is een gigantische kringredenering. Maar tot die kringredenering wordt elke pelgrim uitgenodigd. Herinnert u wat ik al zei: de pelgrim loopt geen rechte lijn, hij laat zich leiden door het kronkelende, spiraalsgewijs draaiende pad van een labyrint - het labyrint van zijn eigen ziel. En ooit zal hij wel eens in het centrum uitkomen. Thuiskomen. Maar dat kan verduveld lang duren. En daarom is het dus niet onzinnig om dat zinnetje van Augustinus toch op te vatten als een uiting van heilige onverschilligheid. 'We zullen wel zien.' Op de keper beschouwd is dit ook een uiting van eenvoudig geloof. Het geloof is het enige 'zien' dat ons nu in het ondermaanse gegund wordt, maar wel een stuwende kracht op de weg.
De eenvoud van de natuur
Tijd voor ons dat we nu ook nog een eindje verder gaan. Tijd voor het derde zinnetje van Augustinus. 'Wij zullen beminnen.' Echt beminnen kan alleen als antwoord op de liefde die we hebben ontvangen. Johannes zegt terecht: "Wij zullen beminnen omdat Hij ons het eerst heeft liefgehad." Let wel: de evangelist zegt niet dat wij God zullen beminnen. Hij schrijft alleen maar: wij zullen beminnen. Het gaat om een inclusieve liefde, die al het geschapene omvat, alles wat er in de natuur is, en uiteraard ook onze medemensen. We zullen met andere woorden alles beminnen wat God bemint. Uit elke heldere, diepe waarneming zal liefde opspringen. Neen, geen spoor van bezitterigheid, maar eenvoud.
Hoe komt het dat we niet liefhebben, zoals het in onze natuur als mechaniekje is ingebouwd? Het antwoord ligt voor de hand. Zoals frisse lucht en sport tot genot zijn van gezonde mensen, maar onaangenaam voor wie ziek is, zo gebeurt het dikwijls dat caritas en liefde, waarvan we zouden genieten als we geestelijk in orde waren, onaangenaam zijn in onze zieke toestand. Het enige wat eraan te doen valt, is eventjes op onze tanden bijten. Alvast beginnen met die stijve spieren en die reumatische gewrichten van ons eens te dwingen weer in beweging te komen. Gaandeweg zullen we wel merken dat een en ander weer met een zekere souplesse begint te functioneren. Als we volhouden - zo zegt ook Benedictus - scheppen we uiteindelijk toch genot in de taken die ons eerst onuitstaanbaar voorkwamen. Langzamerhand worden we vrij. We doen spontaan wat ons een zware opdracht leek te zijn. We worden ontspannen liefdevolle mensen. En samen één eenvoudig pelgrimerend mystiek lichaam.
Is dat moeilijk? Ja, eigenlijk wel. We zijn altijd geneigd de zaak complexer te maken dan ze is. Daar zijn voorbeelden van die u zo herkent. Neem nu dat van de adrenaline. Een lichaam maakt adrenaline aan als het in gevaar verkeert. Niks mis mee. Adrenaline zorgt ervoor dat we snel kunnen reageren: in de tegenaanval gaan, of desnoods vluchten. Reflexen die eigen zijn aan de natuur. Ze zijn er om onze soort te beschermen. Maar de toestand van gespannenheid moet natuurlijk verdwijnen als het gevaar geweken is. Ik vraag mij af of dit wel gebeurt bij de mens van vandaag. Hoevelen huizen niet in een lichaam dat blijvend gevaarsignalen uitzendt, in een overspannen lijf dat een onbestemd gevoel van angst induceert, ook als er niets is dat werkelijk schrikbarend oogt, niets om bezorgd over te zijn? En hoevelen scheppen dan niet een denkbeeldige zorg om hun gevoel te rechtvaardigen. Een molshoop wordt een berg, een scheet een donderslag. Hoe vaak gebeurt het niet dat dingen die strijdig zijn met de natuur tot een vicieuze cirkel leiden. Tot chronische hypochondrie. Eenvoud is anders.
De eenvoud van het moment
Leer van de kat die haar lijf opspant als ze een vogel in de gaten krijgt - klaar om te springen - maar die haar lijf in een staat van totale ontspanning kan terugbrengen als die vogel - tot onze opluchting - weer wegvliegt. Welbeschouwd neemt die kat alleen lichaamshoudingen die op het eigenste moment belangrijk zijn. Ze leeft in het nu. Een onderdeel van Jezus' leer over het godsvertrouwen, bestaat uit een aanbeveling om in het nu te leven - niet terugblikken in nostalgie of wrok, en evenmin vooruitkijken met al te gespannen verwachtingen of angstige voorgevoelens. Het gaat erom de dagen één voor één te leven, met het brood van vandaag, het manna dat ons nu wordt geschonken.
Misschien moeten we wat meer nadruk leggen op dat kleine, eenvoudige woordje 'nu'. Dat kan onder andere door gehoorzaam te zijn aan de elementaire grammatica van het lichaam, broeder ezel die - beter dan ons verstand - weet wanneer we moeten rusten, wanneer we er goed aan doen om in afzondering te gaan, in een abdij bijvoorbeeld, wanneer we best eens wat gezonder gaan bewegen, wanneer het tijd is om naar de dokter te gaan. Stevig gegrondvest zijn in die grammatica - het betekent geen enkele kans laten liggen om de genade van het moment te ontvangen. En ervoor te danken! Dit is reizen met het einddoel in het hart, met de bestemming als onzichtbaar midden van de geestelijke weg altijd in gedachten geprent, die dragende kracht die mystici uit diverse religies ook 'onderstroom' hebben genoemd.
Toch blijft er een geheim. Het betreft de onzichtbare bedding van de stroom. 'Verlangen' noem ik dat geheim en ik ben geneigd het woord - net zoals Herman Andriessen dat doet - met een hoofdletter te schrijven. Daarmee corresponderen kan alleen wanneer je een taal vindt die de genotvolle waardering uitdrukt om het bestaan van die bedding van Verlangen. En dat is de taal van de lof. In de lof wordt ons diepste verlangen vervuld. Hoe dat komt? Omdat de lof een antwoord is op het Woord van Hem die als eerste zijn zegen van vrede heeft uitgespreid, als eerste heeft omgezien naar ons en als eerste zijn grenzeloze liefde heeft getoond. Elk ander antwoord zou suggereren dat we nog iets verwachten dat we niet hebben gekregen en zou dus een miskenning zijn van het feit dat Hij ons op de weg heeft gezet, of althans de poort schonk waaronder de weg doorloopt, recht naar de stad Gods toe. Naar de plek waar we niks anders te doen hebben dan de lof Gods te zingen.
"Wij zullen loven", schrijft Augustinus als vierde zinnetje dat het perspectief opent op de hemel. Heb ik nu samen met u de reis naar binnen voltooid? Welnee, ik heb misschien één winding van de spiraal doorlopen. En dan nog alleen in gedachten. Ik kom dus terug op de vaderspreuk, het woord van abba Theodorus: "Je hebt het doel in je, 't is goed dat je dat weet, maar ga nu aan het werk, want de reis is nog lang. Eén geruststelling, hoe lang ze ook is, ze blijft eenvoudig, die reis. En lonend: er ligt goud te wachten."













