Nieuws | Lezing Patrick Chatelion Counet
Lezing voor het Bernadette Symposium (Katholiek Nieuwsblad, KBS, VNB)
Nijmegen 17 oktober 2009
Patrick Chatelion Counet
Dames en heren,
Aan het einde van het Brievenboek van Bernadette vertel ik over mijn kennismaking met Bernadette. Het speelt in de jaren zeventig. Ik was een jaar of twintig en ik maakte met een vriend een fietstocht door Frankrijk. Door de bergen van de Cevennen en de eiken van het Parc du Morvan kwamen wij op doorreis in Nevers. We sloegen onze tent op op een camping langs de Loire en ik was die avond aan de beurt om de flesopener te lenen. – Vanuit Nederland hadden we met opzet een flesopener vergeten zodat we elke avond verplicht waren contact te leggen. – Ik klopte aan bij een caravan, waar een Belgische madame mij opendeed. Ik legde haar het probleem voor. Terwijl ze in een la begon te rommelen, vroeg ze: "Wat zoekt ge hier?". Enigszins in de war omdat ik meende dat reeds gezegd te hebben, zei ik nogmaals: "Een flesopener". "Maar neen", zei ze, "ik bedoel, zijt ge hier voor Bernadette?". Even hoopte ik, jong en alleenstaand als ik toen was, dat zij het over haar dochter had die wij het nachtleven van Nevers moesten laten zien, maar ze sprak, zo lichtte ze toe, over het meisje dat in Lourdes Maria gezien had. "Ge moet haar morgen een bezoek brengen", gebood ze, "ge kunt niet naar Nevers komen zonder Bernadette goedendag te zeggen". Dus reden wij de dag daarna op onze racefietsen naar de kapel waar het lichaam van Bernadette sedert 1925 ligt opgebaard.
Er was niemand in de kerk. Dat verbaasde ons. We konden tot enkele meters voor de kist komen en toen ik haar zag, in habijt, de handen in gebed voor haar borst, sloeg ik spontaan een kruis – dat had ik al lang niet meer gedaan. We staarden een tijdje naar het wasbleke gelaat van Bernadette en net toen we eerbiedig weer wilden vertrekken, had ik het gevoel thuis te komen. Hoewel er daar in die ruimte iets niet klopte, of misschien juist daardoor, viel er van alles op zijn plaats. Een zoektocht die eindigt bij het begin.
Ik was nog nooit in Lourdes geweest. Toen ik er later kwam, meerdere keren, gaf de grot hetzelfde gevoel als het aanschouwen van het in gebed verzonken lichaam van Bernadette. Verdriet en vreugde tegelijk. Een soort rusteloos thuiskomen. Je bent er, maar de aankomst is opnieuw een doorreis.
Wat ik daar ervaren heb, kreeg later, toen ik theologie studeerde, een naam. De postmoderne conditie van de mens. 'Modern' – ik begin maar meteen wat te theoretiseren met u – wil zeggen dat er een één op één relatie bestaat tussen wat je ervaren hebt en wat je vertelt. Adequatio rei et intellectus: de overeenkomst tussen de gebeurtenis en je verhaal. 'Postmodern' is de ervaring die groter is dan welk verhaal ook maar kan vertellen. Bernadette hád zo'n ervaring. Bernadette ís zo'n ervaring.
Door Bernadette, de kapel in Nevers en later Lourdes, leerde ik begrijpen wat de kerkvader Tertullianus, eind tweede eeuw, bedoelde toen hij schreef: Credo quia absurdum. Ik geloof omdat het absurd is. Omdat er geen woorden voor zijn, zou je kunnen zeggen. Ons leven – het bestaan zelf, de schepping – ís zo'n absurdum. Het verbaast me wel eens dat mensen die niet in God geloven, niet tóch – net zoals ik – van hun sokken geblazen worden door het waanzinnige feit dat wij er zijn – en niet niet. Leibniz.
Opzet van deze lezing is als volgt.
1. Leven van Bernadette
2. De verschijningen
3. De brieven
4. De spiritualiteit van Bernadette
Paragraaf 1. Leven van Bernadette
In 1866 acht jaar na de verschijningen, enkele maanden voor haar intreden in het klooster van Nevers schrijft zij een brief aan mevrouw Duvroux die in een dorpje ten noorden van Lourdes woont en bij wie de kinderen Soubirous kunnen logeren als er moeilijke omstandigheden zijn, bijvoorbeeld wanneer de moeder van Bernadette moet bevallen, zoals nu:
April 1866
Mevrouw Duvroux,Ik vraag u mij te verontschuldigen dat ik zolang werd opgehouden u te schrijven… U weet hoe mijn moeder lange tijd geleden heeft. En, zoals u weet, zou Marie peettante worden, maar de goede God heeft het anders beschikt. Wij kregen een meisje, maar ons werd niet de tijd gegeven lang van haar te genieten, de goede God heeft haar niet geschapen voor de aarde. Wij hadden wel nog tijd om haar te dopen en ze is naar de hemel opgestegen, arme kleine engel! Zoals u zich wel kunt voorstellen was het een zwaard van smart voor mijn arme moeder, maar toch herneemt ze zich op dit moment een beetje.
Bernadette is het oudste kind in een gezin van negen kinderen waarvan er vijf voor hun tweede levensjaar overlijden. De kindersterfte van Frankrijk in de negentiende eeuw bedroeg één op drie voor het twintigste levensjaar. Je kunt zeggen dat het gezin Soubirous die statistieken naar de negatieve kant heeft doen overhellen.
Het verhaal dat men in biografieën en hagiografieën over Bernadette doorgaans aantreft is dat zij tot aan de gedwongen verhuizing naar het cachot in het jaar 1856 een onbezorgde en gelukkige jeugd heeft gekend. Ik vraag me dat bij deze af.
Bernadette wordt geboren in Lourdes in 1844 uit een al wat oudere vader, François Soubirous (36), en een veel jongere moeder, Louise Castérot (18). François was door de familie Castérot uitgenodigd om de molen over te nemen door een huwelijk met de oudste dochter Bernarde, de latere peettante van Bernadette. Hij verkoos de jongere Louise. Het zal geen verrassing zijn dat dit spanningen in de familieverhoudingen met zich meebracht. Kort na Bernadette's geboorte krijgt haar moeder een ongeluk en kan Bernadette door de brandwonden op haar borst niet meer voeden. Zij wordt uitbesteed. Wanneer zij terugkeert, bijna vier jaar oud, raakt haar vader blind aan één oog. Het betekent het verlies van zijn baan als molenaar, het verlies van de molen en het zal op de kleine Bernadette diepe indruk hebben gemaakt. Er overlijden in die periode twee kinderen, twee jongetjes. In 1854 breekt er in Lourdes cholera uit. Bernadette raakt besmet. Zij herstelt, maar haar gezondheid is blijvend aangetast. In 1855 kan François opnieuw een molen huren. Maar ongeletterd als hij is, tekent hij een wurgcontract dat hem binnen het jaar financieel aan de grond brengt. Het gezin raakt dakloos. De gemeente Lourdes stelt hen een voormalig gevangenishok ter beschikking. Het cachot, 4m40 bij 3m72, niet echt een paleis voor een ouderpaar met vier kinderen. Bernadette wordt opnieuw uitbesteed. Ze wordt tijdelijk ondergebracht bij haar peettante Bernarde die een herberg heeft in Lourdes.. Daarna wordt zij schapenhoedster in Bartrès. En periode die men beschrijft als een landelijke idylle, maar die voor een kind van dertien natuurlijk loodzwaar was. 21 januari 1858 keert Bernadette op eigen initiatief terug in cachot. drie weken voor de verschijningen.
Ik schets dit relaas van Bernadette's jeugd in zulke sombere kleuren enerzijds omdat het werkelijk een hard leven was dat ze leidde, anderzijds om te laten zien met wat voor karakter zij eruit kwam. Vroege getuigenissen beschrijven haar als een kind met een stabiel en sterk karakter. Bedachtzaam en zelfstandig. Vanzelfsprekend gelovig, maar niet overdreven vroom. Al vroeg moest ze verantwoordelijkheid dragen, voor de jongere kinderen in het gezin, voor neefjes en nichtjes in de familie, want ze was bijna overal de oudste. Ze werkte in de herberg van haar tante, op het land en ze hoedde schapen. Ze was geen kwezel, niet naïef, niet beïnvloedbaar. Ze was op veertienjarige leeftijd een meisje dat wist wat ze wilde: terug naar Lourdes, onderwijs nemen, catechese en de H. Communie doen. Zo begonnen op 11 februari 1858 de Verschijningen. Geleerden die deze Verschijningen afdoen als sublimatie of kanalisering van de ongelukkige levensomstandigheden, worden tegengesproken door haar karakter. Ik kom daarop terug.
Tussen 11 februari en 16 juli 1858 vinden achttien Verschijningen plaats. Na uitgebreid kerkelijk onderzoek en tal van verhoren wordt bij decreet van 18 januari 1862 door de bisschop van Tarbes de authenticiteit van de Verschijningen erkend: "Wij zijn van oordeel dat de Onbevlekte Moeder Gods werkelijk verschenen is aan Bernadette".
Datzelfde jaar wordt Bernadette ernstig ziek. Op 28 april 1862 ontvangt zij het Laatste Oliesel. Een dag later is zij bijna volledig hersteld.
Vanaf de Verschijningen is er voor Bernadette geen normaal leven meer mogelijk. Ze wordt overal herkend, mensen willen haar zien, aanraken, spreken. Diverse malen is zij op straat door de gendarmen moeten worden ontzet tegen een opdringende menigte. Ze vindt een schuilplaats bij de Zusters van Nevers die in Lourdes een Hospitium hebben. Hier leert ze lezen en schrijven. Zij uit de wens te willen intreden, maar haar zwakke gezondheid staat hieraan in de weg. "Een klooster is geen ziekenboeg", houdt men haar voor. Uiteindelijk krijgt ze in 1866 toch toestemming en ze treedt in in het klooster van de Zusters van Barmhartigheid in Nevers.
Kort na aankomst in Nevers wordt zij opnieuw ernstig ziek. Opnieuw wordt haar het H. Oliesel toebediend en opneiuw herstelt ze. Desondanks zijn de perioden van betrekkelijke gezondheid spaarzaam. In een brief van 1867 schrijft ze "Ik had een steunpilaar van de ziekenzaal willen zijn, maar ik werd een meubelstuk". Op de ziekenzaal wordt een vaste plek en een eigen bed voor haar ingeruimd, die zij "ma chapelle blanche" noemt, mijn witte kapel.
Na het overlijden van haar ouders, haar moeder in 1866, haar vader in 1871, ontstaan er familieproblemen. Haar beide broers kiezen voor een geestelijk leven, maar breken dit af zonder het Bernadette mede te delen. Jean-Marie de oudste treedt hij in het huwelijk, een gebeurtenis waarvan hij Bernadette pas na de trouwdag op de hoogte stelt. Zij schrijft hem dat zij hier verdrietig en boos over is:
"(…) Ik zal je zeggen dat ik verrast was toen ik uit je brief vernam dat je getrouwd was. Ik was zelfs een beetje verdrietig. Niet omdat ik boos ben dat je trouwt, nee. Maar mij lijkt dat het toch fatsoenlijk was geweest indien ik het twee of drie dagen voor je huwelijk had vernomen: het ware me een groot geluk geweest mijn gebeden, hoe zwak ook, op die dag met die van jullie te verenigen om Onze-Lieve-Heer en de Heilige Maagd [de zegen] te vragen (…)"
De jongste broer Pierre verlaat zijn school voortijdig en opent met Jean-Marie en zijn zwager een souvenirwinkeltje in Lourdes. Bernadette is daar niet zo heel erg blij mee, en ze laat dat in haar brieven duidelijk merken. De grootste problemen echter betreffen het familiebezit, de molen die de familie Soubirous na de verschijningen ten geschenke heeft gekregen. Bernadette's zus Marie is er na de dood van haar ouders met haar man ingetrokken. Wanneer de beide broers volwassen zijn, ontstaan er problemen over het eigendomsrecht op dit huis. Door middel van brieven probeert Bernadette vanuit Nevers te bemiddelen. Over een afstand van 700 km heeft dit niet altijd het beoogde resultaat.
Vier maal heeft Bernadette het sacrament der stervenden ontvangen. In 1876 wordt ze opnieuw ernstig ziek. De laatste jaren van haar leven verblijft ze in haar witte kapel. Zij overlijdt op 16 april 1879, vijfendertig jaar oud, aan de gevolgen van tuberculose.
Haar lichaam wordt drie dagen publiekelijk tentoongesteld, waarna het in een lijkkist wordt bijgezet in de grafkelder van het klooster Saint Gildard. Dertig jaar later in de herfst van 1909 moet de kist worden geopend. Het proces van heiligverklaring dat intussen in gang is gezet, vereist een canonieke identificatie: een 'herkenning van het lichaam'. Op woensdag 22 september 1909 wordt de grafsteen verwijderd en verschijnt de kist. Op een tafel wordt een wit kleed uitgespreid om daar haar stoffelijke resten op uit te spreiden – men verwacht botten en beentjes aan te treffen. Wanneer de kist geopend wordt, blijkt haar lichaam in volmaakte toestand geconserveerd.
In de enkele uren dat het lichaam aan de lucht wordt blootgesteld, begint het zwart te worden. Het wordt teruggeplaatst in zijn kist die opnieuw wordt vastgeschroefd en van zegels voorzien.
Bij de definitieve opgraving op 18 april 1925 worden enkele relikwieën van het lichaam genomen. Over de tweede herkenning van het lichaam schrijft de aanwezige arts:
"Op verzoek van de bisschop van Nevers heb ik als relikwie het voorste deel van de vijfde en zesde rib (aan de rechterkant) losgemaakt... waar zich in de borstholte een harde, taaie massa bevond. Dit was de lever... Als relikwie heb ik een deel daarvan weggenomen. Hierbij heb ik kunnen vaststellen dat dit orgaan opmerkelijk goed bewaard was gebleven... Na verloop van zesenveertig jaar is dit een volkomen onverwachte toestand. (...) Tijdens het snijden was de lever zacht en bijna normaal; ik heb de aanwezigen hierop gewezen en hun gezegd dat dit feit mij niet van natuurlijk karakter leek".
Wie begrijpen wil wat een understatement is, dit dus. Credo quia absurdum.
Vanaf 1925 is het lichaam, zonder dat er verdere ontbinding optreedt, boven de grond gebleven. Het ligt opgebaard in een schrijn in de kapel van het klooster Saint-Gildard in Nevers. Men kan haar elke dag nog bezoeken.
Paragraaf 2. De verschijningen
Tussen februari en juli 1858 vinden er achttien verschijningen plaats. Dankzij de vele verslagen, van haarzelf, van gemeentelijke en kerkelijke autoriteiten, van ooggetuigen, kunnen we Bernadette op de voet volgen.
De eerste verschijning beschrijft Bernadette in één van haar vroegste brieven als volgt:
Ik ging met nog twee meisjes naar de oever van de Gave om hout te sprokkelen. Terwijl zij het water overstaken, begonnen zij te huilen. Toen ik vroeg waarom zij huilden, antwoordden zij dat het water zo koud was. Ik vroeg hun mij te helpen door stenen in het water te gooien zodat ik kon oversteken zonder mijn schoenen uit te trekken. Zij zeiden dat ik hetzelfde moest doen als zij.
Net toen ik daarmee begon, hoorde ik een geluid. Ik draaide me in de richting van het veld; de bomen bewogen in het geheel niet. Ik ging door met mijn schoenen uit te trekken; toen hoorde ik hetzelfde geluid. Ik tilde mijn hoofd op naar de grot. Ik zag een Dame in het wit gekleed: zij droeg een witte jurk met een blauwe ceintuur en ze had een gele roos op elke voet, de kleur van het snoer van haar rozenkrans.
Toen ik dat zag, wreef ik mijn ogen uit; ik moest me vergissen. Ik stak mijn hand in mijn zak en vond er mijn rozenkrans. Ik wilde het kruisteken maken, maar kon mijn hand niet naar mijn voorhoofd brengen; hij viel steeds.
De verschijning sloeg een kruis. Toen trilde mijn hand. Ik probeerde het nog eens en het lukte. Ik heb de rozenkrans gebeden. De verschijning liet de kralen van de hare door haar vingers glijden, maar bewoog haar lippen niet. Toen ik mijn rozenkrans beëindigd had, verdween de verschijning plotsklaps.
Het is die dag 11 februari 1858. Een donderdag, tegen 12 uur 's middags. Er valt motregen. De grot heet Massabielle, de Oude Rots, een plaats waar varkenshoeders wel eens schuilen voor de regen; van een waterbron aldaar wist niemand iets. Op deze oude plattegrond is het kanaal zichtbaar dat tussen de Grot en de rivier de Gave loopt.
De zondag erna keert Bernadette terug in gezelschap van 12 meisjes. Opnieuw ziet zij de in het wit geklede dame. Ze noemt haar aquerò, een onzijdig aanwijzend voornaamwoord – 'het' of 'dat'. 'Het meisje' is van haar eigen leeftijd, een jaar of veertien.
Bij de derde verschijning, donderdag 18 februari, spreekt de verschijning voor het eerst. Zij vraagt Bernadette gedurende veertien dagen naar de Grot te komen, en ook zegt zij: "Ik beloof niet u gelukkig te maken in deze wereld, maar in de andere".
Langzaam maar zeker dringt in Lourdes het besef door dat er iets bijzonders aan de hand is. Bij de zesde verschijning heeft zich een menigte van zo'n 100 mensen bij de Grot verzameld.
De belangrijke negende verschijning vindt plaats op donderdag 25 februari, bij zonsopgang.
Enkele honderden mensen zijn al zeer vroeg aanwezig. Bernadette arriveert om half zes. Zij bidt haar rozenkrans. Dan doet zij haar witte omslagdoek af en kruipt op haar knieën de grot in. Ze kust de grond en de mensen zien hoe ze rusteloos heen en weer beweegt, van het kanaal naar de grot. Ze begint over de modderige grond te kruipen. Besluiteloos kijkt ze omhoog naar de nis en weer naar de grond; plots blijft ze stilstaan, maakt met haar hand een kuiltje in de grond, brengt modder naar haar lippen en werpt het weer weg, tot driemaal toe; dan neemt zij vuil water in de holte van haar hand en drinkt; ook 'wast' ze zich met het vuile water. Bij het gat dat zij gegraven heeft, staat onkruid, goudveil; ze eet er enkele bladeren van. Tante Bernarde maakt haar gezicht schoon, en geeft haar, boos, een draai om de oren. Bernadette voelt 't niet. Zij knielt opnieuw en bidt. Dan staat zij op en zonder op of om te kijken, loopt ze terug naar huis, een verwarde, deels ontstemde menigte achterlatend. Die middag verklaart ze dat aquerò haar had opgedragen: "U moet aan de bron drinken en u er wassen". Niet wetende waar die bron was, had ze besluiteloos heen en weer gedrenteld, totdat de verschijning zei waar ze precies moest graven. Tot op de dag van vandaag levert deze bron duizenden liters water per dag. Credo quia absurdum.
Bij de dertiende verschijning zijn er 1.500 mensen aanwezig. De verschijning vraagt Bernadette aan de priesters te zeggen dat zij hier bij de Grot een kapel moeten bouwen en dat men in processie hiernaartoe moet komen.
De kerk is tot op dat moment de grote afwezige. De pastoor van Lourdes, Dominique Peyramale heeft zijn priesters en de kloosterlingen uit de buurt verboden de verschijningen bij te wonen. Sceptisch als hij is wil hij niet dat men denkt dat de kerk deze verschijningen legitimeert. Als Bernadette hem de namiddag van de dertiende verschijning een bezoek aflegt, stuurt hij haar boos weg. Maar zij is vasthoudend en keert diezelfde avond nog terug. Peyramale raakt onder de indruk en wordt Bernadette's belangrijkste medestander. Hij legt de zaak voor aan zijn bisschop, monseigneur Laurence. Ook deze is aanvankelijk sceptisch, maar na een persoonlijk onderhoud met Bernadette én het oordeel van een bisschoppelijke commissie besluit hij drieëneenhalf jaar later tot de authenticiteit van de verschijningen.
Bij de vijftiende verschijning, op donderdag 4 maart, zijn de verwachtingen hooggespannen. 8.000 mensen hebben zich bij de Grot verzameld. Zij denken dat dit de laatste verschijning wordt en dat de verschijning haar identiteit zal onthullen. Bernadette arriveert, knielt, bidt, en raakt in trance. Na ongeveer drie kwartier dooft ze haar kaars en keert zonder iets te zeggen terug naar huis. De massa is ontgoocheld.
Er gaan drie weken voorbij zonder dat er iets gebeurt. Op 25 maart, het feest van Maria Boodschap, voelt Bernadette zich geroepen tot de Grot. Om vijf uur 's ochtends zijn er enkele tientallen mensen. De grot is een woud van brandende, flakkerende kaarsen. Bernadette bidt en wil de vraag stellen die nog steeds onbeantwoord is: "Wilt u mij te vertellen wie u bent?". Maar ze verspreekt zich. Ze probeert het nog eens, maar opnieuw verspreekt ze zich. Dan nog eens. En als ze voor de vierde keer aan haar vraag begint, antwoordt de Verschijning: "Que soy era Immaculada Councepciou" ("Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis"). Credo quia absurdum.
Daarna vinden er nog twee verschijningen plaats. Op woensdag 7 april en op vrijdag 16 juli. Omdat de Grot door de civiele autortiteiten is afgesloten moet Bernadette zich ver weg aan de overzijde van de rivier opstellne. Na afloop verklaart ze. "Het was net of ik bij de grot was, niet verder weg dan anders. Ik zag alleen maar de heilige Maagd."
De Heilige Maagd. De verschijning is voor Bernadette veranderd van het onzijdige aquerò in de heilige Maagd. In haar brieven, later, noemt ze de verschijning 'Maria', mijn 'lieve moeder'.
In de loop der tijd zijn er tal van verdachtmakingen geweest om de verschijningen te verklaren. Men heeft Bernadette voor een cataleptische hysterica uitgemaakt, een kwezelachtige fantast, een ziekelijke bedriegster, een willoos instrument in de handen van een propaganda zoekende kerk. Er zijn ook wat meer pretentieuze psychologische verklaringen gegeven om de verschijningen te duiden.
Zo komt Michael Carroll in zijn boek uit 1986 met een "psychoanalytische ontmaskering" op basis van de theorieën van Sigmund Freud. Hij probeert te laten zien dat Bernadette drie moeders had, haar natuurlijke moeder Louise, haar voedster (Marie Laguës) en haar peetmoeder tante Bernarde. Aquerò is volgens Carroll tante Bernarde. Bernadette hallucineert omdat zij zich tijdens haar jeugd "ongeliefd, verworpen en misbruikt" voelde.
Zo bestaat er ook een 'dieptepsychologische' verklaring op basis van de theorieën van Carl Gustav Jung. In haar boek uit 1995 probeert Ursula Bernauer aan te tonen dat de verschijning een archetype is uit het onbewuste van Bernadette. de Verschijning bevestigt haar religieuze verlangen naar een andere wereld.
Geen van deze verklaringen is overtuigend. Ze gaan uit van een psychische aandoening. Het karakter van Bernadette – ik heb daar al iets over gezegd – is nu net evenwichtig en verantwoordelijk. In het geheel niet labiel, maar juist uit één stuk. Ze is consequent en voor iemand die een blik in de andere wereld geworpen heeft, bijna onbegrijpelijk nuchter. Ze is ontvankelijk voor religieuze ervaringen, jazeker – maar niet beïnvloedbaar. En tenslotte niet naïef of onvolwassen, maar in het bezit van een grote sociale intelligentie waarmee ze commissarissen van politie, pastoors en bisschoppen en niet te vergeten autoritaire kloostermoeders voor zich wist te winnen.
Paragraaf 3. De Brieven
De brieven van Bernadette zijn verzameld en uitgegeven door de Jezuïet André Ravier. Eerste uitgave in 1961, derde herziene uitgave met nieuwe brieven in 1990. Ik was verbaasd dat er geen Nederlandse vertaling van de brieven bestond. Ik trouwens niet alleen. Toen ik 10 februari 2008 (daags voor het jubileum van 150 jaar verschijningen) voor het VPRO-programma OVT was uitgenodigd, luidde de eerste vraag: "Die Brieven van Bernadette zijn die geen vervalsing? Het was toch een ongeletterd meisje – zijn die brieven niet geschreven door een clubje paters of nonnen in haar naam?" Een beetje verbaasd antwoordde ik: "Nee hoor. Bernadettes brieven verkeerden in uitermate betrouwbare handen… die van de Jezuïeten". Daar werd niet om gelachen, maar dat betekent allen maar dat de protestanten van de VPRO de Roomse vooroordelen over Jezuïeten niet kennen.
In het brievenboek beperk ik mij overigens niet tot een vertaling alleen. Ik heb telkens uitgezocht per brief, wie de geadresseerde is, wanneer de brief geschreven werd, de context uitgewerkt met intermezzo's over de Onbevlekte Ontvangenis, over paus Pius IX, pastoor Peyramale en over de boekenstrijd rond Bernadette en Lourdes.
In dit boek zijn ongeveer 100 brieven samengebracht. Niet opgenomen zijn brieven die bij wijze van schrijfoefening werden geschreven, en ook niet de standaardbriefjes met bedankjes.
Bernadette's eerste brief die bewaard is gebleven, dateert van oudejaarsdag 1860, gericht aan haar ouders. Dezen wonen weliswaar op slechts een steenworp afstand, maar omdat Bernadette zich – zoals gezegd – nauwelijks op straat kon begeven, zag zij hen zelden. Enkele zinnen uit deze eerste brief:
Lourdes, 31 december 1860
Liefste ouders,
… deze eerste dag van het jaar [wil ik] niet voorbij laten gaan zonder u mijn toewijding en mijn erkenning te tonen. Dat kan ik alleen maar onvolmaakt. God zal erin voorzien. Hij alleen weet hoe groot het goede is dat u doet. Hij alleen kan u dus naar waarde terugbetalen. Daarom, mijn liefste ouders, bid ik dat hij uw dagen beschermt en dat hij u geluk schenkt in de andere [wereld].
Uw (…) toegenegen kind,
Bernadette Soubirous
P.S. Verbaas u niet als deze brief slecht gesteld is, ik heb hem geschreven zonder de Soeur en ik had niet genoeg tijd. Ik wilde hem schrijven zonder dat zij het zou merken, omdat ik er anders geen enkele [zelfstandig] geschreven zou hebben dit jaar.
Welnu, het valt eigenlijk nog wel mee hoe slecht deze brief gesteld is. Sterker nog, niet veel kinderen die na hun vijftiende leren lezen en schrijven zullen na een jaar al zo'n elegante brief weten te schrijven. Opvallend is dat Bernadette hier al meteen over die 'andere wereld' begint, een belofte die haar door de verschijning is gedaan – niet in deze wereld kan ik je gelukkig maken maar in de andere – en die ze nu uitbreidt naar haar ouders.
Opmerkelijk in bijna al haar brieven is hoe gewoon en vanzelfsprekend zij omgaat met de bovennatuurlijke dingen die haar zijn overkomen. Zij beschouwt die andere wereld als zo vanzelfsprekend existent dat zij zich daar als het ware reeds beweegt.
Daar is een ietwat grappig voorbeeld van. Tijdens haar verblijf in het hospitium in Lourdes voert ze correspondentie met Charles Bouin, een jonge priester met bijzondere devotie voor de maagd Maria. Hij schrijft Bernadette dat hij als kluizenaar op het terrein bij de Grot wil gaan wonen. En hij vraagt haar of zij een goed woordje wil doen bij de autoriteiten, daarmee doelende op bisschop Laurence en de paters van Garaison die het bewind over de Grot voeren. Bernadette antwoordt als volgt:
Zeer Eerwaarde Heer,
Ik ben deze week vier maal bij de Grot geweest; ik heb u bij de goede Moeder niet vergeten; ik hoop dat u verkrijgt wat u verlangt, zij kan het u niet weigeren (…)
Wat zou ik gelukkig zijn, Zeer Eerwaarde Heer, u hier in Lourdes te zien, vooral als u kon blijven. Ik zal bidden tot de goede God en de heilige Maagd om u te laten weten of u hun kluizenaar moet worden. Ik zou wel hetzelfde als u willen doen, want het put me uit zoveel mensen te moeten zien; bid voor mij, vraag ik u, dat God mij spoedig opneemt te midden van zijn bruiden, want dat is mijn grote, zij het onwaardige verlangen.
De autoriteiten over de Grot zijn in de ogen van Bernadette niet de bisschop en de paters, maar God en Maria. Ze plaatst het aardse altijd in het perspectief van het transcendente. Zo ook in de volgende brief uit 1876 aan haar jongere zus Marie. Marie was als meisje van 10 aanwezig bij de eerste verschijning, zij is gehuwd (met Joseph Sabathé), en heeft reeds drie kinderen ten Grave gedragen. En nu, onlangs, heeft zij ook haar vierde kind verloren. Bernadette schrijft het volgende:
Nevers, 26 augustus 1876
Lieve zus,
Laten we de almachtige hand van Onze-Lieve-Heer altijd beminnen en zegenen. Hij treft ons om ons te genezen en ons het niets van deze ellendige aarde te laten zien waar we slechts voorbijgangers zijn.
Ik begrijp dat het voor een moederhart bijzonder droef is, ik zou zelfs zeggen wreed, om haar vierde kind te verliezen. Deze beproeving is inderdaad bijzonder hard. Maar als ik de dingen met het oog van het geloof bezie, kan ik het niet laten om uit te roepen: gelukkig de moeder die engelen naar de hemel stuurt om voor jou en heel je familie te bidden. Zij zullen onze beschermers zijn bij Onze-Lieve-Heer en bij de Heilige Maagd.
Ik stel me deze lieve kleine groep graag voor, in de hemel, terwijl ze voor ons bidden, arme ballingen op deze ellendige aarde. Hou moed, onze familie is groter in de hemel dan op aarde. Laten we bidden, werken en lijden zoveel als het de Heer belieft. Over niet al te lange tijd zullen we hun geluk wellicht delen.
Veel mensen doen een dergelijk geloof en deze manier om troost te bieden misschien af als naïef of dwaas, maar wat mij opvalt is het idee van ballingschap. Bernadette noemt ons 'voorbijgangers op deze ellendige aarde', ballingen.
Het is een gedachte die we in haar brieven vaker tegenkomen. Zo bijvoorbeeld in haar brief aan paus Pius IX van 17 december 1876.
[…] Ik geloof graag dat u bij de heilige Moeder bijzonder geliefd bent omdat zij, vier jaar nadien, zelf op aarde is komen zeggen:
"Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis".
Ik wist niet wat dit betekende, ik had dat woord nog nooit gehoord. Sedertdien, als ik erover nadacht, zei ik vaak tegen mezelf: dat de Heilige Maagd goed is. Men zou zeggen dat zij gekomen is om de uitspraak van onze Heilige Vader te bevestigen. Ik hoop dat deze goede Moeder mededogen met haar kinderen zal hebben, en dat zij zich verwaardigen zal nogmaals haar voet op het hoofd van de kwaadaardige slang te zetten, om aldus een einde te maken aan de beproevingen van de Heilige Kerk en de pijn van haar Verheven en Welbeminde Pontifex.
Op de enveloppe is door een medezuster het adres geschreven – de paus Rome (dat komt wel aan, dacht ze , terecht); Bernadette heeft er op het laatste moment nog eigenhandig de woorden 'Qué soy l'Immaculée Counceptiou' bijgeschreven. Blijkbaar hechtte ze eraan de oorspronkelijke woorden nog eens te herhalen.
Misschien is dit de plaats om iets over de betekenis van deze uitspraak te zeggen: "Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis". Ik keer daartoe nog even terug naar dat VPRO-programma OVT waar mij de volgende vraag gesteld werd. "Is het niet bijzonder toevallig", stelde de interviewer, "dat paus Pius IX in 1854 het dogma van Maria's Onbevlekte Ontvangenis had afgekondigd, en dat dit vier jaar later met zoveel woorden door een verschijning uit de hemel bevestigd werd. Kwam dit de paus die in politiek moeilijk vaarwater zat, die zijn wereldlijke macht dreigde te verliezen, en die ook onder de bisschoppen aan gezag begon te verliezen, niet toevallig wel heel erg goed uit?" Een soort complottheorie. Deze vraag die ik ook op andere manieren wel had horen stellen, suggereerde dat Pius IX Bernadette een soort sms-je gestuurd had met de vraag of ze niet eens een visioen wilde veinzen met de bevestiging van zijn dogma uit 1854, dan wel dat hij anderszins, via zijn bisschoppen of zijn priesters, invloed had uitgeoefend op het verloop van de verschijningen en het spreken van Bernadette over die verschijningen. De vraag gaf mij gelegenheid om daar aan tafel met vooral historici een klein college theologie te geven.
Ik opperde dat het de paus juist helemaal niet zo goed uitkwam wat Maria daar in Lourdes aan Bernadette verkondigde. Er is een groot verschil, zo begon ik uit te leggen, tussen de uitspraak van de verschijning: "Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis" enerzijds en het dogma uit 1854 anderzijds. Dat dogma zegt dat Maria zonder erfzonde geboren is, Maria is onbevlekt ontvangen. Dat dogma zegt niet dat Maria de Onbevlekte Ontvangenis ís. Wat is het verschil? Het verschil is niet louter en alleen grammaticaal. Onbevlekt ontvangen namelijk, d.i. geboren worden zonder erfzonde, is een passieve eigenschap van een persoon. Het onbevlekt ontvangen zijn is Maria overkomen, toebedeeld. Het vergezelt haar vanaf haar conceptie; ze hoeft er niets voor te doen. Wanneer Maria echter zegt: "Ik bén de Onbevlekte Ontvangenis" spreekt ze over meer dan een eigenschap, dan spreekt ze over een functie. Hier is zij actief. Haar uitspraak roept herinneringen op, schrijf ik in mijn commentaar bij het Brievenboek, aan de IK BEN-uitspraken van Jezus uit het Johannesevangelie, zoals "Ik ben de weg de waarheid en het leven", of "Ik ben de opstanding". Opstaan uit de doden is iets dat je overkomt. Niet alle dagen, maar het overkwam Lazarus in het Johannesevangelie. Dit rechtvaardigt Lazarus echter niet om te zeggen: "Ik ben de Opstanding". Ik ben de Opstanding verwijst naar een functie. Een functie die exclusief aan Jezus toebehoort. Omdat Jezus de Opstanding ís, kan hij anderen uit de dood doen opstaan: zoals Lazarus. We kunnen dezelfde redenering volgen voor Maria. Zij is onbevlekt ontvangen, zoals Lazarus is opgestaan; passief, dankzij een ander. Dit is wat het dogma van 1854 zegt. Maar vervolgens verlaat Maria het niveau van Lazarus en stelt zich op het niveau van Christus. Zoals hij zegt Ik ben de Opstanding, zegt zij, in 1858: Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis. Dit is een intensivering en een vergroting van het dogma van 1854.
De paus was daar in 1858 niet onverdeeld gelukkig mee, weerlegde ik de reformatorische complottheorie van de VPRO, want met die uitspraak liep de verschijning in Lourdes voor de dogmatische muziek van de kerk uit. Met die uitspraak "Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis" presenteert Maria zich, zo hield ik de verbijsterde protestanten voor, als medeverlosseres.
Dit alles samen geeft een aantal inzichten die ik daar aan tafel niet verder kon uitwerken, maar die ik hier onder een overwegend rooms-katholiek publiek wat makkelijker kan presenteren. Maria geeft met haar identiteit Onbevlekte Ontvangenis aan dat zij zelf een actieve rol vervult in de verlossing. Zij 'ontvangt'. Als eerste Bernadette, vervolgens eenieder die zich geroepen voelt. Zij dringt aan op bekering en boetedoening en zij geeft een bron van levend water waaruit mensen kunnen drinken en waarin mensen hun zonden kunnen wassen. Een actieve rol in het verlossingswerk. Haar opdracht aan Bernadette om een nieuwe kerk te laten bouwen op de Grot in Lourdes roept de woorden die Jezus tot Petrus richt in herinnering: "Op deze rots zal ik mijn kerk bouwen" (Mattheüs 16,18).
Deze overwegingen leiden tot een reeks van overeenkomsten tussen, laten we zeggen, destijds Jeruzalem, en thans Lourdes. Ik zet ze even op een rijtje.
1. Eerst is er de nevenstelling van Maria naast Jezus als medeverlosseres. Nevenstelling is geen gelijkstelling. Het primaat van de verlossing door Jezus Christus wordt daardoor niet gerelativeerd.
2. De IK BEN-uitspraak van Maria roept de EGO EIMI-uitspraken van Jezus uit het Johannesevangelie op.
3. Naast de kapel in Lourdes, gebouwd in opdracht van Maria, plaatsen we de kerk van Petrus.
4. Daarmee komen ook de Grot en de Rots dicht bij elkaar. "Op deze Rots zal ik mijn kerk bouwen", klinkt mee in de opdracht van Maria aan Bernadette.
5. Vandaar ook dat we Bernadette naast Petrus plaatsen. Bernadette zou het lachwekkend en misplaatst vinden, denk ik. Petrus, de visser uit Galilea, zou zich er misschien mee vereerd hebben gevoeld.
6. Tenslotte plaats ik de bron naast de doop. Met deze nevenstelling is niet bedoeld dat het in Lourdes om een wederdoop gaat; toch betreft de oproep om je met bronwater te wassen wel degelijk het wegwassen en vergeven van zonden.
Wat wil ik nu precies zeggen? Dat de priesterkerk van Petrus – de mannenkerk van Rome – gecontrabalanceerd wordt door de kerk van Lourdes en de geschiedenis van vrouwen? Dat ligt moeilijk. De relatie vrouw-ambt is door de Kerk een verboden onderwerp verklaard. Maar misschien dat ik een vreemd voorval mag memoreren. In de Codex Iuris Canonici, het Wetboek van de Rooms-Katholieke Kerk uit 1983 staat geformuleerd dat het lezen van het evangelie tijdens de Heilige Mis is voorbehouden aan gewijde mannen, priesters en diakens. Nu stond tijdens het jubileumjaar 2008 speciaal voor de 150 jaar Lourdesverschijningen het Magnificat op het leesrooster. 52 weken lang werd tijdens de liturgie van de Internationale Hoogmis het Magnificat – het gebed dat Maria in het evangelie uitspreekt vanwege de vreugde over haar zwangerschap – door mannen voorgelezen. Je gelooft het niet, omdat het absurd is.
[Dit was een intermezzo naar aanleiding van de brief van Bernadette aan paus Pius IX.]
Bernadettes laatste brief is van 5 januari 1879, gericht aan haar jongste broer Pierre.
Lieve broer,
Ik ontving je brief met voelbare vreugde. Dat vermoedde je wel, denk ik, omdat je mijn tedere gevoelens voor jou kent (…)
[Mijn gezondheid] gaat vooruit, ik hoest minder nu het weer een beetje zachter wordt. Moeder Overste heeft toegestaan een novene te houden voor Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes om genezing voor mij te vragen. Die eindigt zaterdag. Ik nodig je uit je intenties daarmee te verenigen, dat vraag ik ook aan heel mijn familie. Mocht ik genezen, vraag ik jullie allemaal om naar de Grot te gaan uit dankbaarheid voor deze grote gunst (…)
Met deze gevoelens neem ik afscheid van je, welbeminde broer, in de plezierige verwachting je te ontmoeten, duizend gelukwensen, adieu pour Dieu,
Je liefhebbende zus,
Zuster Marie-Bernard Soubirous
'Mocht ik genezen', schrijft Bernadette, maar dat gebeurt niet. Haar laatste brief, van 11 januari 1879, aan haar petekind Bernadette Nicolau kan ze niet meer zelf schrijven, maar moet ze dicteren.
Bernadette overlijdt op 16 april 1879, om kwart over drie in de middag.
Paragraaf 4. De spiritualiteit van Bernadette
Over de heilige Bernadette is dikwijls beweerd dat zij nooit is opgehouden kind te blijven. Men blijft haar graag voorstellen als dat ongeletterde meisje dat dan wel heeft leren lezen en schrijven, maar dat altijd kinderlijk en onschuldig naïef gebleven is. Wat we na het lezen van haar brieven met zekerheid kunnen zeggen is dat dit onwaar is. Ik zou de typeringen kinderlijk en naïef willen vervangen door evenwichtig en verantwoordelijk. Dit zijn de hoekstenen van haar spiritualiteit.
Op haar sterfbed wijst ze terug naar de molen waarin ze geboren is, als ze zegt dat het leven haar als een graankorrel vermalen heeft.
'Als een graankorrel vermalen'. Je kunt daar een eucharistische verwijzing in beluisteren, 'het brood dat gebroken wordt', – zeker mooi –, maar ik denk niet dat Bernadette haar lijden met dat van Christus zou durven vergelijken. Ik denk dat ze zelfs niet verwijst naar haar ziekte. Dat zou een verwijt aan haar Schepper zijn. Ze zag het lijden als een louteringsgeschenk. Misschien verwijst de uitspraak naar de manier waarop mensen haar meteen vanaf het begin van de Verschijningen hebben behandeld. Nooit meer was er één dag rust voor haar. Altijd en overal wilde men iets van haar.
Ten tijde van de verschijningen was Bernadette nog een kind, even oud ongeveer als Jezus toen hij zich te midden van de rabbi's in de tempel bevond. Een kind dat geen kind meer is. Dat in twee werelden tegelijk verkeert. Jezus die de rabbi's onderwijst en tegelijk nog zijn ouders gehoorzaamt. Bernadette die zelf niet kan lezen en schrijven, maar toch priesters en bisschoppen opdraagt een kerk te bouwen. Het zijn geen kinderen omdat ze gezag uitstralen en met autoriteit spreken, het zijn tegelijk weer wel kinderen omdat ze geen onwaarheid kunnen spreken. Hun woorden vallen zonder bijbedoelingen samen met datgene waarvoor ze staan.
De bedoeling van een heiligenleven en de beschrijving ervan is dat mensen er een stichtend voorbeeld aan kunnen nemen. Wat dat betreft zitten we aan het begin van de 21ste eeuw met Bernadette fundamenteel fout. Onze voorstelling van een ideaal mensenleven laat zich niet verenigen met schuld en boete, met zonde en bekering. Weliswaar geven we jaarlijks miljoenen euro's uit aan therapeuten en psychiaters om met onszelf in het reine te komen, om scheve neuzen recht te zetten en face-lifts te bekostigen, maar dit alles bewijst alleen maar dat we niet kunnen of niet willen leven met het besef van tekortschieten, ouder-worden, ziek-zijn en sterven; noch met het besef van falen en onwaardig zijn. Volmaakt willen zijn (al is het alleen maar voor de uiterlijke schijn) is onze hedendaagse versie van de zondeval. Niet willen accepteren dat je onvolmaakt bent, faalt en tekortschiet.
Misschien zegt u thans, ja maar, Bernadette is toch maar mooi even heilig verklaard. En 'heilig' is volmaakt, niet? Bernadette vond het afschuwelijk dat men haar 'heilig' durfde noemen. Aan een medezuster in het klooster van Nevers vertrouwde ze toe: "Men denkt dat ik een heilige ben… Als ik dood ben, komen ze me met prentjes en rozenkransen aanraken, terwijl ik in het vagevuur brand". Enkele maanden voor haar dood, in september 1878, vraagt een andere zuster of ze niet nog eens naar Lourdes en haar geliefde grot wil terugkeren. Bernadette antwoordt: "Nee, [de mensen] zouden naar me kijken als naar een raar dier. Erger nog, ze zouden de heilige Maagd de rug toekeren om mij te volgen". Bernadette beschouwde zichzelf als een zondig wezen en ze meende dat ze niet voldeed aan de eisen van noch het gewone noch het reguliere leven. Haar opvatting was dat wij het lijden van Christus dienen na te volgen. Ook dat is weer een ouderwetse term. Wat moderner gezegd betekent het dat je moet leren jezelf weg te cijferen. Voorrang geven aan een ander. De laatste durven zijn. Evangelisch betekent het, je leven durven geven. Inderdaad, zoals Bernadette, die na de Verschijningen nauwelijks nog een eigen leven gehad heeft.
De spiritualiteit van Bernadette zit in haar eenvoud, denk ik. Haar oprechtheid en authenticiteit, haar zorg voor vrienden en geliefden. En tenslotte vooral, denk ik, in haar liefde voor Jezus en Maria. Zij verhield zich tot die andere, transcendente wereld, alsof de hemel reeds op aarde was neergedaald. Het hemelse perspectief waarmee ze de aardse dingen zag bepaalde haar leven, haar spiritualiteit. Alles stond in het teken van de komende wereld die goed is.
Ik wil deze paragraaf afsluiten met een brief die iets van deze bijzondere spiritualiteit laat zien. Het is onbekend aan wie deze brief is, maar dat stelt ons in staat te doen alsof deze brief over de tijd heen tot ons persoonlijk gericht is:
Nevers 1877
Ik wilde je net schrijven, toen ik je brief ontving. Wees niet bezwaard en maak je niet ongerust. Dat dient nergens toe. Zoek het vertrouwen dat je ziel balsemt. Wat je op dit moment nodigt hebt, zijn enkele vriendelijke woorden die troost bieden, die je vertrouwen geven en kracht.
Mediteer zo nu en dan over de volgende gedachten. Hoe meer wij in dit leven te lijden hebben, hoe groter de troost zal zijn in het uur van de dood, als tenminste ons lijden met dat van Jezus verbonden was, uit liefde voor hem, en om onze zonden te zuiveren; in de hemel zullen wij met Jezus eeuwige vreugde beleven.
Moed en vertrouwen.
De hemel lijdt intens,Bernadette
Tenslotte. In plaats van een conclusie.
Bernadette opent voor ons het zicht op een andere wereld. Lourdes, de Grot, het leven van Bernadette dat alles samen geeft ons een kostbare sleutel in handen om die andere wereld te betreden. De sleutel die ze hanteert is nogal katholiek, dat is waar. Misschien zijn er, in andere religies, ook andere sleutels. Maar die hoeven we, nu de deur eenmaal openstaat, niet meer te zoeken.
Ik dank u voor uw aandacht













